Kennisbank

In deze kennisbank worden publicaties en onderzoeksrapporten met betrekking tot aardbevingen en de effecten op de gebouwde omgeving voor iedereen digitaal toegankelijk gemaakt. Publicaties en rapporten worden door het platform geduid, waardoor de rapporten toegankelijk worden voor een breder publiek. Het platform volgt de actualiteit en streeft ernaar recente rapportages snel in de kennisbank op te nemen. Het is niet mogelijk alle publicaties over effecten van aardbevingen te duiden. Op onze Links pagina vind je doorverwijzingen naar diverse externe bronnen van onderzoeken waar meer achtergrondinformatie voor de geïnteresseerde lezer te vinden is.

De kennisbank is onderverdeeld in zes categorieën. Om een document te kunnen inzien en separaat te downloaden klik je op de vermelde link.
De zes categorieën zijn:

In het menu rechts op de pagina is een begrippenlijst opgenomen die je helpt met de uitleg van veel technische termen tijdens het lezen.

Aardbevingen en bodemtrillingen

V5 Ground-Motion Model (GMM) for the Groninger Field

Auteur Julian J Bommer, Benjamin Edwards, Pauline P Kruiver, Adrian Rodriguez-Marek, Peter J Stafford, Bernard Dost, Michail Ntinalexis, Elmer Ruigrok and Jesper Spetzler
(o.a Deltares en KNMI)
Opdrachtgever NAM
Datum Maart 2018

Samenvatting en resultaten

Dit rapport beschrijft de achtergronden bij de ontwikkeling van versie 5 van het grondbewegingenmodel (Ground Motion Model V5) voor Groningen. Dit model voorspelt de grondbewegingen in Groningen als gevolg van de seismiciteit in het Groninger aardgasveld in statistische termen.

Het rapport geeft allereerst een overzicht van de ontwikkeling van de voorgaande versies van het model en beschrijft hoe beschikbare meetgegevens zijn gebruikt voor de ontwikkeling van het model tot versie 5. Het GMM V5 berekent vanuit de voorspelde seismiciteit de spectrale versnellingen en de piekwaarde van de versnelling op een referentie diepte. Vervolgens worden op basis van de lokale eigenschappen van de ondergrond de locatie-specifieke bewegingen aan het aardoppervlak berekend. Het rapport beschrijft de modellen en de data die gebruikt zijn om deze bodembewegingen te voorspellen. Tenslotte wordt in het rapport aangegeven welke ontwikkelingen er in de toekomst te verwachten zijn. Dit betreft het gebruik van meerdere datasets van metingen van bodembewegingen dan in GMMV5 zijn gebruikt (genoemd worden de KNMI datasets, de TNO meetnetdata en data uit een flexibel geofoon meetnet). Met deze metingen kan in de toekomst een nauwkeuriger beeld van de ruimtelijke correlatie van de trillingen worden vastgesteld. Daarnaast wordt verder onderzoek gedaan naar de statistische eigenschappen en of deze verschillen voor sterkere en zwakkere bevingen. Verder wordt voor nieuwe bevingen nagegaan of deze de modeleigenschappen beïnvloeden en dit wordt meegenomen in een volgende versie van de GMM.

Dit rapport is voorgelegd aan een zogeheten ‘assurance panel’, bestaande uit experts uit de hele wereld. Dit expert panel heeft een reeks vragen geformuleerd. Deze vragen en de bijbehorende antwoorden zijn in een bijlage aan het rapport toegevoegd.

Bekijk het volledige rapport V5 Ground-Motion Model (GMM) for the Groninger Field.

Assessment of Hazard, Building Damage and Risk for Induced Seismicity in Groningen

Auteur Jan van Elk en Dirk Doornhof
Opdrachtgever NAM
Datum November 2017

Samenvatting en resultaten van het onderzoek

Nederlandse vertaling: Opgewekte seismische activiteit in Groningen – Beoordeling van gevaar, gebouwschade en risico’s

Het rapport is opgesteld naar aanleiding van het instemmingsbesluit Winningsplan Groningen 2016. De belangrijkste vraag in het rapport: wat zou het jaarlijkse lokale persoonlijke risico (LPR) zijn voor bewoners van het Groningse gasveld als gevolg van opgewekte aardbevingen?  

Dit rapport geeft een update van de probabilistische beoordeling van seismisch gevaar, risico op gebouwschade en ongevallen en een beschrijving van het technische studiewerk dat deze update staaft, diee de volledige keten van oorzaak en gevolg van de productie van aardgas beslaat, van het reservoir tot aan het risico op mogelijke gebouwschade.

De update bevat de volgende verbeteringen ten overstaan van de vorige versie:

  • een verbeterde versie van het reservoirmodel
  • een verbeterd seismologisch model
  • verdere verbetering in GMPE (Ground Motion Prediction Equation)
  • gebruik van GEM (Global Earthquake Model) taxonomie
  • gebruik van gekalibreerde “fragility curves” (broosheidsgrafieken)

Het rapport behandelt de methodologie voor de gevaar- en risicobeoordeling, het onderzoek en het plan van aanpak voor het verkrijgen van gegevens omtrent opgewekte seismische activiteit in Groningen. Vervolgens wordt de technische basis voor de beoordeling van het seismisch gevaar - dat het gevolg is van de productie van gas uit het reservoir - gepresenteerd. Eveneens wordt stil gestaan bij de invloed van gasproductie op druk en grondwaterpeil in het reservoir en op compactie van het gesteente. Een samenvatting van het modelleren van de verdichting (en verzakking), seismische activiteit en resulterende grondversnellingen wordt gegeven.

Hoofdstuk 6 introduceert de meeteenheden die zijn gekozen voor de beoordeling van het aardbevingsgevaar en brengt voor elk van deze meeteenheden een aantal voorspellingen in kaart. Aanvullende meeteenheden, die zijn gebaseerd op grondsnelheid in plaats van grondversnelling, worden gepresenteerd om een betere inschatting te kunnen maken van gebouwschade. Resultaten van de onderzoeken naar gebouwschade worden in hoofdstuk 8 gepresenteerd. Hoofdstuk 9 biedt inzicht in het risico, verder bouwend op het in hoofdstuk 6 naar voren gebrachte onderzoek naar aardbevingsgevaar. Dit hoofdstuk beschrijft in het bijzonder hoe de risicoberekening van invloed kan zijn op het programma voor structurele upgrades en hoe dit programma van dienst kan zijn voor het verminderen van de risico’s en het verbeteren van de veiligheid voor bewoners van de regio.

Probabilistische risicoberekening wijst uit dat er geen gebouwen bestaan waarvan het gemiddelde lokale persoonlijke risico (LPR) de Meijdam-norm van 10-4 per jaar overstijgt. Het aantal gebouwen waarvan het gemiddelde lokale persoonlijke risico de Meijdam-norm van 10-5 per jaar overstijgt bedraagt zo’n 2.800 gebouwen. Dit is een groter aantal dan aanvankelijk was ingeschat, maar een directe vergelijking lijkt ingewikkeld omdat er bij deze berekening rekening is gehouden met instortingsgevaar van topgevels, schoorstenen en andere kleine bouwelementen. Deze bouwelementen kunnen zowel mensen binnen als buiten de gebouwen treffen. De resultaten van het modelleren zijn nog niet systematisch aangepast aan de voorzorgs- en correctiemaatregelen die al zijn genomen, met name met betrekking tot de vallende bouwelementen zoals vermeld.

De probabilistische berekening van het aantal gebouwen dat niet voldoet aan de norm valt niet binnen het bereik van het structurele upgrade-programma.

Bekijk het volledige rapport Assessment of Hazard, Building damage and Risk.

Probabilistic Seismic Hazard Analysis for Induced Earthquakes in Groningen

Auteur KNMI; Jesper Spetzler, Bernard Dost
Opdrachtgever NAM
Datum Juni 2017

Samenvatting en resultaten van het onderzoek

Nederlandse vertaling: Probabilistische Analyse Seismisch Gevaar voor Geïnduceerde Aardbevingen in Groningen, update juni 2017

Dit rapport betreft een update voor probabilistische analyse seismisch gevaar voor het Groningse aardgasveld.

Het gaat hierbij om de resultaten van een nieuw PSHA (Probabilistic Seismic Hazard Analysis) onderzoek voor opgewekte seismische activiteit voor de regio Groningen, resulterend in de vierde versie van het KNMI hazardmodel. Dit is een update van het KNMI v2-hazardmodel. Nieuwe ontwikkelingen van het afgelopen jaar bevatten onder andere verbeterde GMPE (Ground Motion Prediction Equation), nu genaamd GMM (Ground Motion Model).

Een nieuwe versie van de hazardkaart voor Groningen wordt in het rapport gepresenteerd. Het onderzoek wordt voortgedreven door een belangrijke update van het GMM (versie 4) voor opgewekte seismische activiteit in de regio. De belangrijkste verbeteringen in deze versie zijn de selectie van een nieuw referentieniveau, het in betrekking nemen van aardscheuren, en een verbetering van het site-effect-model. Daarnaast is het bemonsteren van de termijn waarbinnen spectrale versnelling kan worden geëvalueerd verbeterd. De maximale piekgrondversnellingswaarde is voor deze versie van de hazardkaart niet significant veranderd in vergelijking met de vorige versie (2016). De introductie van een nieuw model voor Mmax, opgesteld door deskundigen in de vorm van een Mmax-distributie, heeft de gepresenteerde resultaten niet noemenswaardig beïnvloed.

Verschillen tussen de PSHA modellen van KNMI en NAM worden met name verklaard door het gebruik van verschillende bronmodellen. Ook hebben zij verschillende methodes gebruikt voor het berekenen van het PSHA, al is dit minder van invloed op geweest op de verschillen tussen de resultaten dan de verschillende bronmodellen.

Verdere ontwikkeling van het GMM zal naar verwachting geen grote veranderingen met zich mee brengen voor de gevaarniveaus. Onbeantwoord is nog onder andere de implementatie van uitgebreide breukgeometrieën voor Groningen.

Het gepresenteerde model bevat zowel de spectrale versnellingen voor relevante periodes als de non-lineaire site-effecten. Gebruik van dit model voor de upgrade van de NPR wordt aanbevolen.

Bekijk het volledige rapport Probabilistic Seismic Hazard Analysis.

Liquefaction sensitivity of the shallow subsurface of Groningen

Auteur Team van experts Deltares en TNO-GSN; Mandy Korff, Ger de Lange, Piet Mijers, Ane Wiersma, Fred Kloosterman.
Editors: Jan van Elk en Dirk Doornhof
Opdrachtgever NAM
Datum November 2016

Samenvatting en resultaten van het onderzoek

Nederlandse vertaling: Verwekingsgevoeligheid van de ondiepe ondergrond in Groningen

Dit rapport beschrijft de opbouw van de ondiepe ondergrond om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van zandlagen die mogelijk gevoelig zijn voor verweking.

Het onderzoek is gebaseerd op verschillende bronnen:

  • Boorgatdata uit TNO/GSN en DINO databases
  • TopIntegraal (Nationale database grondboorgegevens)
  • Sonderingsdata van Fugro en Wiersema & Partners (verkregen door de NAM)
  • GEOTOP database van TNO Geologische Dienst Nederland (TNO-NITG)

Het resultaat is het verwekingspotentieel gebaseerd op zanddichtheden, op basis van literatuur. De zanddichtheid is gecontroleerd door gebruik te maken van verschillende methodes en internationale literatuur. In het rapport wordt aanbevolen deze methodes voor de typische Groningse zandlagen te valideren.

Vermoed wordt dat de zogenaamde getijde-afzettingen (“tidal deposits”) in Groningen geclassificeerd staan als óf zand óf als (zanderige) klei. Vaak is er echter sprake van een combinatie van beide. Indien deze lagen worden geclassificeerd als zand kan de gevoeligheid voor bodemverweking worden overschat. Als de lagen worden geclassificeerd als klei wordt er geen bodemverweking verwacht, hetgeen juist een onderschatting zou kunnen opleveren. Bovendien is er over het gedrag van deze gemengde lagen nog maar weinig bekend. Een conservatieve benadering is dat er van uit wordt gegaan dat deze lagen verwekingsgevoelig. Het rapport stelt voor dat er meer onderzoek moet worden gedaan om een beter beeld te krijgen van het daadwerkelijke risico op bodemverweking bij deze getijde-afzettingen.

Lees het volledige onderzoek Liquefaction sensitivity.

Unbiased Cyclic Resistance Ratio Relationships for Evaluating Liquefaction Potential in Groningen

Auteur Team van experts NAM; Russell Green, Julian Bommer, Adrian Rodriguez-Marek & Peter Stafford.
Editors: Jan van Elk & Dirk Doornhof.
Opdrachtgever NAM
Datum Juni 2016

Samenvatting en resultaten

Nederlandse vertaling: Evaluatie van kans op verweking in Groningen

Dit rapport beschrijft een methode voor het vaststellen van verweking van de ondergrond. In dit rapport wordt onderzocht of deze methode geschikt is voor Groningen of dat er een andere benadering nodig is.

Het rapport bediscussieert de juiste toepassing van een aantal parameters, die zijn gebruikt bij eerdere onderzoeken naar het mogelijk ontstaan van verweking in Groningen. Het gaat hierbij om de Magnitude Schaal Factor (MSF) en de spanningsreductie coëfficiënt (rd) voor verweking. Deze eerdere rekenmethoden zijn niet direct geschikt voor onderzoek naar de kans op verweking in Groningen. Daarnaast zijn deze parameters in het berekeningsmodel systemisch en kunnen ze niet zomaar worden aangepast. De discussie speelt specifiek voor Groningen, aangezien de aardbevingen die door de gaswinning worden opgewekt van geringe sterkte zijn; de bewegingen die hierdoor ontstaan vertonen andere kenmerken dan de bewegingen die het gevolg zijn van tektonische aardbevingen.

In dit onderzoek hebben de auteurs nieuwe verbanden voor MSF en rd ontwikkeld die gebruikt kunnen worden in Groningen. Deze nieuwe relaties zijn gebruikt om de voorgeschiedenisdatabase van bodemverweking die is opgesteld door Boulanger en Idriss (2014) te her-analyseren. Op basis hiervan zijn nieuwe verbanden ontwikkeld. In de nieuwe benadering is gebruik gemaakt van veel data die beschikbaar is van de recente aardbevingen in Nieuw-Zeeland.

De voorgestelde benadering dient nog verder aangepast te worden aan Groningen wat betreft het Gronings zandtype.

Lees het volledige rapport Unbiased Cyclic Resistance Ratio Relationships.

Liquefaction Mapping for Induced Seismicity in the Groningen Gas Field

Auteur Team van experts van Deltares en NAM; M. Korff, A. Wiersma, P. Meijers, F. Kloosterman, G. de Lange,
J. van Elk en D. Doornhof
Opdrachtgever NAM
Datum November 2015

Samenvatting en resultaten van het rapport

Het rapport beschrijft de kans op verweking gebaseerd op a) geologische kenmerken, b) een geologisch model op gebiedsniveau en c) een uitgebreide database van plaatselijke onderzoeken van grondmonsters en sonderingen.
De gepresenteerde resultaten zijn grotendeels gebaseerd op sonderingen en op het Nederlandse geologische 3d-model GeoTOP (van TNO). De resultaten zijn gepresenteerd in de vorm van kaarten die de verspreiding van zandlagen van verschillende dikten en pakkingen (los, middelmatig en vast) weergeven over afzonderlijke geologische gebieden.

De belangrijkste indicator voor het vaststellen van de kans op verweking is de relatieve dichtheid van de grond. Deze is gebaseerd op de sonderingswaarde en de grondspanning. De auteurs stellen nader onderzoek voor om de relatie vast te stellen tussen dichtheid en kans op bodemverweking en het daadwerkelijke risico (waaronder de gevolgen voor bouwwerken).

De grootste afzettingen van los zand bevinden zich in de Holocene Formatie van Naaldwijk. Wat betreft de Pleistocene formaties valt in dit opzicht vooral de Eem Formatie op. Deze afzettingen bevinden zich in het noorden van Groningen (bij de Waddenzee en rondom de stad Groningen).

Het verwekingspotentieel is voor elk van de geologische formaties afzonderlijk in kaart gebracht, zodat er ruimte is voor formatie-specifieke interpretaties gebaseerd op andere factoren die van invloed zijn, zoals leeftijd of superconsolidatie.

De auteurs merken op dat er op dit moment geen betrouwbare methodes bestaan die de afzettingen met dunne klei- en ziltlagen voorkomend in de Waddenzee (de zogenaamde ‘Flaser Beds’), op een juiste manier  mee kunnen nemen voor het bepalen van de kans op verweking. Momenteel lopen er onderzoeken naar een correctie voor deze specifieke dunne grondlagen.

De resultaten uit dit rapport kunnen worden gebruikt voor het stellen van prioriteiten bij risicobeoordelingen voor bouwwerken en infrastructuur met betrekking tot bodemverweking. 

Lees het volledige onderzoek Liquefaction Mapping for induced Seismicity.

Liquefaction, what it is and what to do about it

Auteur Earthquake Engineering Research Institute; M. Greene, M. Power, T.L. Youd
Opdrachtgever Earthquake Engineering Research Institute
Datum Januari 1994

Samenvatting

Deze notitie beschrijft het proces van bodemverweking. Welke mechanismen liggen ten grondslag aan het verschijnsel bodemverweking, wat zouden de gevolgen ervan kunnen zijn voor de bebouwde omgeving en hoe kunnen we deze gevolgen beperken?

Met behulp van eenvoudige begrippen uit de grondmechanica en gronddynamica, die ook voor beroepstechnici te begrijpen zijn, wordt verwerking beschreven. Het gevolg van bodemverweking wordt uitgelegd in termen van potentiële schade aan de bebouwde omgeving. Het bezwijken van grondlichamen wordt beschreven, evenals de potentiële gevolgen van horizontale grondbewegingen in een vlak terrein en de gevolgen van het verlies van draagvermogen. Verder worden de gevolgen van inklinking en toename van druk voor funderingen en keerconstructies toegelicht.

Tot slot wordt een aantal methoden om risico’s te verkleinen omschreven evenals enkele grondverbeteringstechnieken om schade door verweking te voorkomen.

Lees hier de volledige notitie: Liquefaction, What it is and what to do about it.

Schade en herstel

Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen. Methodologie en case studies ter duiding van de oorzaken

Auteur TU Delft; P.C. van Staalduinen, K.C. Terwel, J.G. Rots
Opdrachtgever NCG
Datum 11 juli 2018

Aanleiding, duiding en samenvatting:

De TU Delft heeft onderzoek uitgevoerd naar de oorzaken van de bouwkundige schade in de provincie Groningen. Aanleiding voor het onderzoek was de discussie over de zogeheten schadecontour. Deze omvat het gebied waarbinnen tot 2016 in de provincie Groningen schade als gevolg van bevingen wél vergoed werd. Buiten de contour werden claims op voorhand afgewezen.

Doel van het onderzoek was het duiden en verduidelijken van de mogelijke oorzaken van schade aan gebouwen, waaronder de invloed van de verschillende mijnbouwactiviteiten in Groningen en de stapeling van mijnbouwactiviteiten op bepaalde locaties (naast gaswinning bijvoorbeeld ook zoutwinning of gasopslag).

Voor het onderzoek zijn 69 panden van uiteenlopende typen bestudeerd in negen gebieden in Groningen. Het betreft 6 gebieden buiten de voormalige contour in de omgeving van Ulrum, Grijpskerk, Groningen, Veendam, Winschoten, Woldendorp en 3 gebieden binnen de contour in de omgeving van Bedum, Slochteren en ’t Zandt. Eigenaren van panden deden op vrijwillige basis mee aan het onderzoek. De panden omvatten historische boerderijen, vrijstaande woningen, twee onder één kap woningen, enkele rijtjeswoningen en enkele bijzondere gebouwen waaronder een korenmolen.

Voor de onderzochte panden hebben de onderzoekers ‘best verklarende scenario’s’ opgesteld voor de ontstane schade zoals scheuren in muren, waarbij gekeken is naar enkelvoudige oorzaken of combinaties van oorzaken. Daarbij introduceerden de onderzoekers het begrip ‘technische toerekenbaarheid’. Dit is het aandeel van een oorzaak in de spanningen in een bouwdeel waar schade is ontstaan. Het bepalen van de technische toerekenbaarheid bleek alleen indicatief mogelijk. Voor een nauwkeurige vaststelling vonden de onderzoekers teveel onzekerheden. De staat van het gebouw, fundering en bodem zijn de belangrijkste onderliggende oorzaken voor schades bij de onderzochte gebouwen. De invloed van bevingen is moeilijk uit te sluiten uit de best verklarende scenario’s voor schade in de onderzochte panden, maar valt tegelijkertijd ook moeilijk te bewijzen.

Lees het volledige onderzoek Onderzoek naar de oorzaken van bouwkundige schade in Groningen.

Het berekenen van de kans op mijnbouwschade door gaswinning in de second opinion van de proef buitengebied

Auteur Fugro, Movares en Royal HaskoningDHV
Opdrachtgever  
Datum 1 maart 2018

Duiding

Met dit document beschrijven de auteurs hoe zij de kans op schade als gevolg van mijnbouwactiviteiten afleiden. Deze kans op schade wordt door de bureaus gebruikt in het kader van een second opinion op het eerder uitgevoerde onderzoek door Witteveen en Bos in het buitengebied.

Drie aspecten worden behandeld:

1: Er wordt bepaald welke trillingen in het verleden in bouwwerken in Groningen zijn opgetreden als gevolg van eerdere aardbevingen.
2. Er wordt ingegaan op de toets aan de hand van SBR Richtlijn A.
3. Er wordt beschreven hoe wordt omgegaan met eventuele onzekerheden.

Ad 1: Voor het bepalen van de trillingen wordt gebruik gemaakt van de zogenoemde empirische GMPE voor de trillingssnelheid (Bommer et al 2017). Hiermee wordt per beving uit het verleden en per onderzocht bouwwerk een verwachte waarde van het trillingsniveau berekend. De GMPE beschrijft het effect op bodemtrillingen. Omdat de toets gebeurt op basis van trillingen in gebouwen is de overdracht van grond naar gebouw nader bepaald. Er is onderbouwd dat de trillingsniveaus op maaiveld zonder verzwakking of versterking worden doorgegeven aan de fundering.

Ad 2: De aanpak uit SBR Richtlijn A wordt toegepast, waarbij met veiligheidsfactoren wordt gewerkt. De volgende keuzes worden toegelicht:

  • De  bureaus kiezen partiële factoren voor het type meting, gv, die afwijken van de waarden uit de SBR richtlijn-A. 
  • In het memo worden de trillingen als gevolg van aardbevingen geclassificeerd als kortdurend.
  • De beoordeling van de bouwkundige staat van gebouwen wordt gegeven op basis van de SBR Richtlijn A van december 2017, waarbij de gevoeligheid van de constructie voor zettingen wordt meegenomen.

Ad 3: Onzekerheden worden meegenomen door gebruik te maken van een relatie tussen trillingsniveau en kans op schade, die door de auteurs zelf is vastgesteld. In het document wordt een relatie gelegd tussen een GMPE en een kans op schade. Er wordt onder meer verwezen naar ‘recente onderzoeksinzichten’. In het memo ontbreekt een verwijzing en is niet omschreven om welke inzichten het gaat.

In het document wordt door de bureaus een keuze gemaakt voor de niveaus van trillingen waarbij een verband tussen aardbevingen en schade al dan niet waarschijnlijk wordt geacht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen een niveau waarbij schade als gevolg van mijnbouw wordt uitgesloten (kans kleiner dan 0,14%) en een niveau waarbij schade niet wordt uitgesloten (kans groter dan 1%). Het tussenliggende niveau wordt gedefinieerd als ‘op voorhand onwaarschijnlijk maar niet uitgesloten’. Voor de twee niveaus met een kans groter dan 0,14% wordt een discussie tussen de drie second opinion bureaus aanbevolen. Het memo geeft geen nadere aanwijzing over hoe deze discussie verder wordt ingericht.

Lees het volledige memo Het berekenen van de kans op mijnbouwschade door gaswinning.

Gerelateerde rapporten:

Position Paper december 2017: Beperking schade door aardbevingen in Noord Oost Nederland

Auteur J.C. Walraven, C.P.W. Geurts, J.G.Rots, N.P.M. Scholten, P.C. van Staalduinen, M. Lurvink
Opdrachtgever NCG
Datum December 2017

Samenvatting en resultaten

Deze position paper gaat in op de vraag of en hoe het voorkomen van schade kan worden aangepakt, en welke rol de Nederlandse Praktijkrichtlijn NPR 9998 hierin kan spelen. De NPR 9998 richt zich tot op heden op het voorkomen van bezwijken van de constructie (met mogelijk gevolgen voor mensenlevens) en is niet gericht op het voorkomen van schade met minder grote gevolgen voor de mens. Ook de Europese norm voor aardbevingsbestendig bouwen NEN-EN 1998 geeft geen specifieke regels voor het voorkomen van schade.

De position paper richt zich op schade in metselwerk. Meerdere schade oorzaken worden beschreven. Een hoofdstuk is gewijd aan omschrijvingen van schades in termen van klassen, die internationaal worden gebruikt. De wijze waarop schades kunnen worden beoordeeld is omschreven. Ook is aandacht besteed aan mogelijke oplossingen ter voorkoming van schade.

In de position paper worden aanbevelingen geformuleerd op basis waarvan maatregelen ter voorkoming van schade kunnen worden genormeerd. De volgende aanbevelingen zijn gegeven:

  • Definieer criteria waaraan de constructie moet voldoen in relatie tot schade en geef aan bij welke rekenwaarden van de (aardbevings-)belasting op deze criteria moet worden getoetst.
  • Formuleer meer globale criteria waarbij een constructie valt in de schadecategorie 1 voor aardbevingen met karakteristieken die bij een representatieve aardbeving behoren. Deze criteria zijn bij voorkeur vergelijkbaar met de definities in SBR-richtlijn A.
  • Scherp de detailleringsregels in NPR 9998 aan, waarbij aanvullend aanbevelingen ten aanzien van de basisbestendigheid worden opgenomen.
  • Ontwikkel een beoordelingskader waarbinnen testmethoden, rekenmethoden en normteksten zijn gedefinieerd. SBR Richtlijn A en de NPR 9998 bevatten bouwstenen die nader kunnen worden uitgewerkt voor schadepreventie.
  • Stimuleer dat dat innovatieve concepten voor schadebeperking worden (door)ontwikkeld en van een officiële erkenning worden voorzien.

Lees het volledige paper Position Paper: Schadepreventie, beperking schade door aardbevingen in noordoost Nederland.

 

SBR Trillingsrichtlijn A: Schade aan bouwwerken 2017

Auteur SBRCURNET; Carel Ostendorf
Opdrachtgever SBRCURNET
Datum December 2017

Samenvatting

De publicatie behandelt de wijze waarop trillingsmetingen aan bouwwerken moeten worden uitgevoerd, verwerkt en beoordeeld. Deze beoordeling is gericht op de invloed van trillingen met het oog op mogelijke schade aan het bouwwerk. Deze meet- en beoordelingsrichtlijn is bedoeld om te worden toegepast op bestaande bouwwerken. De richtlijn maakt met betrekking tot de grenswaarden voor de trillingsbelasting geen onderscheid tussen constructieve en niet-constructieve schade. De richtlijn heeft betrekking op trillingen in het frequentiebereik tot 100 Hz en sluit daarmee trillingen ten gevolge van aardbevingen niet uit. De grenswaarden in de richtlijn kunnen ook worden gebruikt voor de beoordeling van een berekende trillingssnelheid aan de hand van gevalideerde modellen.

Deze richtlijn uit 2017 is de herziening van de editie uit 2002. Een evaluatie onder gebruikers van deze laatste editie heeft geleid tot een wens tot herziening. Ten behoeve van deze herziening zijn drie onderwerpen nader onderzocht:

  • de schadekans in relatie tot de trillingsniveaus;
  • de invloed van verdichting van de bodem door trillingen;
  • de invloed van initiële spanningen in een bouwwerk en de bouwkundige staat van een bouwwerk op de beoordeling van de trillingsniveaus.

Dit onderzoek is begeleid door de SBRCURNET commissie ‘herziening SBR Richtlijn A’ waarin belanghebbenden van deze richtlijn zitting hebben. De resultaten van deze onderzoeken zijn verwerkt in deze richtlijn.
De richtlijn geeft inzicht in de relatie tussen de gemeten trillingsbelasting op een gebouw en de kans op schade als gevolg van het gemeten trillingsniveau, wat gebruikt kan worden om risico inschattingen te maken als de grenswaarden worden overschreden. De grenswaarden voor de beoordeling van de trillingsgevoelige fundering zijn ten opzichte van de vorige versie aangepast, waarmee beter de effecten van lokale zettingen kunnen worden beoordeeld.
Er is een objectieve methode voor de bepaling van de bouwkundige staat aan de hand van een checklist geïntroduceerd. Deze bouwkundige staat bepaalt welke grenswaarden gehanteerd dienen te worden.
Tenslotte is deze nieuwe versie van de richtlijn voorzien van uitgebreide toelichting op de keuzes die zijn gemaakt. Dit vergroot de leesbaarheid en de richtlijn is beter te begrijpen voor de niet-deskundige lezer.

Lees de volledige richtlijn SBR A hier 

Schadeonderzoek Groningen Buitengebied, technische rapportage

Auteur T.A.M. Salet en M.J.A.M. Bruurs van
Witteveen + Bos Raadgevende Ingenieurs BV
Opdrachtgever NAM
Datum 30 maart 2017

Aanleiding onderzoek, resultaten en duiding

Buiten de (voormalige) contour van het schade-afhandelingsgebied, kortweg ‘buitengebied’ genoemd, is schade gemeld waarvan de eigenaar vermoedt dat deze veroorzaakt of verergerd is door mijnbouwactiviteiten. Naar aanleiding van eerder onderzoek door Arcadis en de review ervan door TU Delft heeft NCG aan NAM gevraagd de schades in het buitengebied af te handelen. NAM heeft Witteveen+Bos (W+B) opdracht gegeven de oorzaak of oorzaken te achterhalen van schade(s) aan gebouwen in het buitengebied.

Witteveen en Bos heeft de mogelijke schadeoorzaken geïdentificeerd en heeft op een systematische wijze informatie over de schade, het gebouw en de omgeving verzameld. Inspecteurs van W+B hebben per adres de kenmerken verzameld van alle schade, het gebouw en de omgeving. Bewonersbegeleiders van CVW hebben interviews afgenomen. In het interview is de bewoner onder andere gevraagd naar de eigendomsstatus en activiteiten die in het verleden in de omgeving zijn uitgevoerd, en ook naar gebouwkenmerken zoals bouwjaar en bouwkundige ingrepen zoals een verbouwing. In het onderzoek zijn op 1.564 adressen inspecties uitgevoerd aan 2.077 gebouwen waarbij in totaal 33.877 schades zijn vastgelegd. Van alle waargenomen schades betrof 95% een scheur. Van de scheuren waarvan de scheurwijdte is gemeten wordt 92% gecategoriseerd als ‘zeer lichte’ en ‘lichte’ schade.

De mogelijke schadeoorzaken zijn op basis van de verzamelde informatie beoordeeld. Door falsificatie op basis van omgevings- en gebouwkenmerken is per schade het aantal mogelijke oorzaken gereduceerd. Door falsificeren worden de oorzaken die zeker niet tot de schade hebben geleid benoemd en uitgesloten.

Vervolgens zijn schadebeelden en schadeoorzaken door middel van verificatie aan elkaar gekoppeld. Het resultaat is een overzicht van mogelijke schadeoorzaken. Het is daarbij mogelijk dat meerdere oorzaken aan één schade gekoppeld zijn. Als laatste zijn aanvullende onderzoeken op locatie uitgevoerd en aangevuld met patroonherkenning. De aanvullende onderzoeken bestaan uit grondonderzoeken (bijvoorbeeld sondering) en het verzamelen van aanvullende informatie over de gebouwen. De patroonherkenning bestaat uit het zoeken naar patronen, relaties, verbanden en trends in de verzamelde gegevens. Tenslotte zijn de definitieve schadeoorzaken vastgesteld, gebaseerd op de waarnemingen en de uitkomsten van de toetsen.

Uit het onderzoek volgt dat één of meer schades bij:

- 1.960 gebouwen veroorzaakt zijn door vervormingen;
- 1.831 gebouwen veroorzaakt zijn door belastingen;
- 1.651 gebouwen veroorzaakt zijn door ongelijkmatige zetting van de ondergrond.

De meeste gebouwen kennen meerdere schades die door diverse oorzaken worden veroorzaakt. Per gebouw is voor de eigenaar in een individueel rapport per schade aangegeven wat de mogelijke oorzaak is van die schade.

Witteveen+Bos concludeert dat niet uit te sluiten valt dat er een verband is tussen de onderzochte schades en mijnbouwactiviteiten, anderzijds hebben zij in hun onderzoek dit verband niet geconstateerd. Witteveen+Bos doet aanbevelingen voor aanvullend onderzoek om de verbanden tussen oorzaak en gevolg beter te begrijpen.

Lees het volledige onderzoek Schadeonderzoek Groningen Buitengebied.

Gerelateerde rapporten:

Validatieonderzoek rapporten Arcadis 'Schade buiten de Contour' - Fase 1

Auteur TU Delft; J.G. Rots, J. Blaauwendraad, P. Hölscher, P.C. van Staalduinen
Opdrachtgever Nationaal Coördinator Groningen
Datum 14 juli 2016

Samenvatting en resultaten

Arcadis heeft in opdracht van NAM onderzoek gedaan naar schades in het gebied rondom de zogenaamde schadecontour. De TU Delft is gevraagd een oordeel te geven over de conclusies die Arcadis uit zijn onderzoeken trekt met betrekking tot de waarschijnlijkheid van bouwkundige schade als gevolg van gaswinning. Doel is het beoordelen en valideren van het door Arcadis uitgevoerde onderzoek met betrekking tot de gekozen methodologie, gehanteerde richtlijnen, feitenanalyse, interpretatie van data etc. met als referentie de huidige stand der techniek en de huidige stand van de wetenschap. Dit is aangeduid als validatie.

Arcadis heeft onderzocht of het juist is dat het Centrum voor Veilig Wonen een grenscontour hanteert voor de beslissing of op basis van een melding van bevingsschade door een bewoner/eigenaar wel of niet tot een technische inspectie en verdere behandeling wordt overgegaan. Arcadis acht de kans op schade buiten de contour door bevingen als gevolg van gaswinning in alle onderzoeksgebieden verwaarloosbaar klein voor minder kwetsbare gebouwen in categorie C1 (in goede staat verkerende panden in hout of beton) en C2 (in goede staat verkerende panden in metselwerk), en zeer klein voor gebouwen in categorie C3 (in slechte staat verkerende gebouwen uit metselwerk of in slechte staat verkerende onderdelen van gebouwen).

De rapportage van TU Delft betreft de eerste fase van de validatie. Deze fase heeft zich uitsluitend gericht op de vraag of de door Arcadis gehanteerde methodologie wel of niet standhoudt. In deze eerste fase zijn nadrukkelijk geen afzonderlijke schadegevallen onderzocht.
Het rapport van TU Delft doet geen uitspraak over het hanteren van een contour als criterium, maar stelt dat het onderzoek van Arcadis geen geschikt uitgangspunt is om het werken met, c.q. de ligging van een contour te onderbouwen. Daarvoor houdt de methodologie geen stand. De TU Delft stelt dat het aantal onderzochte panden door Arcadis te klein is om een algemene uitspraak te doen over alle panden met schade in het gebied. De kans dat schade die aan de gaswinning te wijten is door toeval over het hoofd wordt gezien, is daardoor te groot.
De resultaten van de studie van TU Delft geven aanleiding tot vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek is in 2018 afgerond.

Lees het volledige Validatieonderzoek.

Bekijk de oorspronkelijke rapporten van Arcadis in opdracht van de NAM Rapporten Schade buiten de contour.

Relatie tussen PGA waarden en kans op schade voor geïnduceerde aardbevingen in Groningen

Auteur TNO; C.P.W. Geurts, R.D.J.M. Steenbergen
Opdrachtgever SODM
Datum 13 juni 2016

Samenvatting en resultaten

In dit rapport wordt op basis van eerdere TNO rapporten en gegevens uit de literatuur een eerste aanzet gegeven tot het leggen van een relatie tussen waarden voor de piekgrondversnelling (PGA) en de kans op verschillende niveaus van schade ten gevolge van aardbevingen. Aanleiding voor dit rapport is de vraag van SodM om advies te geven over PGA-waarden waarbij er een zekere kans is op het optreden van schadetoestand DS1 (lichte scheurvorming), DS2 (gemiddelde schade), of DS3 (zware schade) en te adviseren over een eventueel te accepteren kans op dergelijke niveaus van schade.

TNO geeft de volgende aanbevelingen:
Er kan langs twee wegen tot een beoordelingscriterium worden gekomen. De eerste betreft een criterium op basis van alleen DS1 schade (ontstaan van lichte scheurvorming); de tweede betreft een methode waarbij een relatie wordt aangenomen tussen de kansen op DS1, DS2 en DS3 schade, waarna een criterium kan worden gekozen op basis van de kans op DS2 en/of DS3 schade. De eerste methode is op basis van eerdere geïnduceerde aardbevingen in Noord Nederland tot op zeker hoogte empirisch onderbouwd; de tweede methode berust op aannamen die nog geverifieerd dienen te worden en is zonder nader onderzoek lastig te onderbouwen.

 De resultaten van de door TNO uitgevoerde kalibratiestudie “schade door aardbevingen” uit 2009 en de TNO studies uit 1997 die ten grondslag heeft gelegen aan SBR Trillingsrichtlijn A, kunnen behulpzaam zijn bij het vaststellen van een relatie tussen de kans op schade en de trillingsniveaus, in termen van versnellingen en snelheden. Deze relatie kan dienen als technische onderbouwing voor eventuele regelparameters in het winningsplan. Om deze relatie nauwkeuriger vast te leggen, wordt geadviseerd de genoemde kalibratiestudies te actualiseren. Hiervoor kunnen inzichten uit het TNO sensornetwerk worden gebruikt. Daarbij moet aanvullend aandacht gegeven worden aan de relatie tussen de kwetsbaarheidscurves voor DS1, DS2 en DS3. Dit vraagt om nader onderzoek.

Lees het volledige rapport Relatie tussen PGA waarden en kans op schade.

Veiligheid en versterken

Veiligheid voorop en de bewoner centraal – Plan van Aanpak Mijnraadadvies

Auteur Nationaal Coördinator Groningen (NCG)
Opdrachtgever  
Datum 13 november 2018

Samenvatting en resultaten

Dit rapport geeft het plan van aanpak van de Nationaal Coördinator Groningen voor het uitvoeren van de versterkingsoperatie in Groningen op basis van het advies van de Mijnraad.

 Het Mijnraadadvies gaat uit van 7.200 te versterken gebouwen. Deze zijn onderverdeeld in ongeveer 1.500 gebouwen die niet voldoen aan de 10-5 eis, en ongeveer 5.700 gebouwen die daar wel aan voldoen, maar niet voldoen aan de door SodM voorgestelde strengere eis (de P90 groep).

 De lijst met gebouwen uit het Mijnraad advies is door NCG verder uitgebreid op basis van aanvullende toetscriteria:

  • Als binnen een bouwvolume (zoals rijtjes, appartementen, twee-onder-een-kap) minstens één adres is opgenomen, worden ook de resterende adressen uit het blok/appartement toegevoegd.
  • Extra woningen zijn toegevoegd die in de directe nabijheid staan van een woning van hetzelfde type die wel op de lijst staat.
  • Woningen zijn toegevoegd die op specifieke lijsten staan (acuut onveilig of gestut).

Reeds versterkte woningen zijn van de lijst afgevoerd. Het resultaat is een lijst van 11.671 panden (15.634 adressen) die in de versterkingsopgave worden meegenomen. Deze zijn per gemeente, uitgesplitst naar selectiecriterium, gepresenteerd. In het plan van aanpak wordt weergegeven op welke momenten en op welke wijze de beoordeling van de lijst met panden plaatsvindt. Zo kan op basis van toekomstige inzichten het risico voor gebouwen op de lijst toe- of afnemen en zouden eventueel gebouwen aan de lijst kunnen worden toegevoegd. Ook zullen deze nieuwe inzichten bijdragen aan adviezen over de mogelijkheden tot versterken.
In de uitvoering wordt prioriteit toegekend aan de woningen waarvan het risico het verst van de 10-5 norm ligt.
Om het proces van versterken te versnellen wordt per gebouwtypologie gewerkt en worden de maatregelen gestandaardiseerd. Zowel de uitwerking in typologieën als de standaard maatregelen zijn nog in ontwikkeling.

NPR 9998 en de HRA systematiek worden ten behoeve van de versterkingen verder doorontwikkeld. De uitvoering is gepland in de periode 2019 – 2022. Per groep gebouwen is aangegeven wanneer de inspectie, beoordeling en uitvoering voorzien is. In 2019 worden panden versterkt die reeds in het bestaande proces zitten (batch 1467). Gebouwen met een verhoogd risico die tot op heden nog niet in de batches waren benoemd worden in 2019 beoordeeld. De uitvoering van de versterking van deze laatste groep start in 2020. De overige groepen zullen later op volgorde van prioriteit worden beoordeeld en versterkt.

In het plan is weergegeven hoe de dialoog met de gebouweigenaren is georganiseerd. Deze is gericht op toelichting van de indeling van het gebouw in een categorie en de mogelijkheid om te kiezen voor een te hanteren aanpak. In deze aanpak wordt ook het verduurzamen van de woning meegenomen.

Tenslotte worden de randvoorwaarden benoemd die door NCG met het ministerie van EZK moeten worden afgestemd.

Bekijk het volledige Plan van Aanpak Mijnraadadvies: Veiligheid voorop en bewoner centraal.

Background Report NPR 9998:2018 Part A: Terminology and Safety Philosophy

Auteur TNO; IJ van Straalen, R.D.J.M. Steenbergen, A.C.W.M. Vrouwenvelder
Opdrachtgever Nationaal Coördinator Groningen (NCG)
Datum 9 oktober 2018

Samenvatting en resultaten

Dit rapport geeft achtergronden bij enerzijds gebruikte terminologie voor de classificering van onderdelen en anderzijds de uitgangspunten voor veiligheid in de NPR 9998:2018. Daar waar terminologie afwijkt van degene die wordt gebruikt in de Europese norm voor aardbevingsbelastingen (EN 1998) is dit toegelicht en ingevuld. 

De risicomaat die als basis wordt gehanteerd is het individueel risico (IR). De eis van de overheid (IR > 10-5) is uitgewerkt tot eisen die gesteld zijn in de NPR 9998. De uitgangspunten voor de NPR zijn in lijn gebracht met de regelgeving voor zowel nieuwbouw als bestaande bouw.

Toegelicht is dat in de bepaling van het risico zowel geheel falen als partieel falen van een constructie wordt meegenomen. Per type falen zijn kansen op optreden en de kans op overlijden gegeven.

Op basis van deze gegevens zijn de herhalingstijden vastgesteld die gelden voor bezwijken van de constructies. Daarnaast is beknopt de achtergrond gegeven bij het modelleren van de sterkte van de constructie en de eisen ten aanzien van de verplaatsingen, waarbij wordt verwezen naar de achtergronden bij bijlage Annex G van NPR 9998:2018.

 Bekijk de volledige achtergrondrapport NP998:2018 Terminology

Achtergrondartikelen bij Annex G van NPR 9998:2018

Auteur NEN, TU Delft, Arup
Opdrachtgever Nationaal Coördinator Groningen (NCG)
Datum 2018

Samenvatting en resultaten

Deze publicatie bevat een verzameling van artikelen die tezamen de achtergrond geven bij de rekenregels van bijlage G van NPR 9998. De artikelen zijn geschreven door TU Delft en Arup op basis van bij hen uitgevoerd onderzoek. Deze achtergronden zijn met name bedoeld voor de ervaren gebruiker van de NPR 9998;2018.

Het betreft de achtergronden bij de te hanteren criteria en de toe te passen rekenmodellen voor wanden die in het vlak worden belast. Deze wanden leveren een belangrijke bijdrage aan de stabiliteit van gebouwen.
De achtergronden zijn gebaseerd op proevenseries die zijn uitgevoerd bij zowel TU Delft als EU Centre. Aan de hand van deze proevenseries zijn geavanceerde berekeningen uitgevoerd. Deze proeven en berekeningen worden beschreven. Op basis van de uitkomsten zijn de rekenmodellen en toetscriteria afgeleid die zijn toegesneden voor op de situatie in Groningen. Deze zijn vervolgens opgenomen in bijlage G van NPR 9998.

Bekijk de achtergrondartikelen bij Annex G van NPR 9998:2018.

Mijnraadadvies veiligheidsrisico’s en versterkingsopgave Groningen

Auteur Mijnraad, onder voorzitterschap van J.C. Verdaas, met bijlagen van SODM, KNMI, TNO, NEN en hooglerarenpanel
Opdrachtgever Minister van Economische Zaken en Klimaat
Datum 29 juni 2018

Samenvatting en resultaten

Uiterlijk in 2030 stopt de gaswinning in Groningen. De vraag is wat de gevolgen zijn van dit besluit voor het aantal en de sterkte van de aardbevingen, en wat dit betekent voor de veiligheidsrisico’s en het aantal te versterken woningen. De minister van EZK heeft de Mijnraad gevraagd hier een antwoord op te geven, daarbij geadviseerd door SODM, KNMI, TNO, NEN en een panel van hoogleraren.

De Mijnraad hanteert de volgende uitgangspunten voor haar advies:

1. Veiligheid eerst. De Mijnraad adviseert prioriteit te geven aan de huizen die het meest onveilig zijn.
2. Snelheid gaat vóór het koppelen van woningverbetering als de veiligheid in het geding is.
3. Tijdrovende inspecties worden zo veel mogelijk vermeden;
4. Gedane toezeggingen en gewekte verwachtingen worden niet eenzijdig ongedaan gemaakt, maar worden in dialoog met bewoners/eigenaars herzien.
5. Ook als voortschrijdend inzicht ertoe leidt dat minder woningen versterkt hoeven te worden, geldt het uitgangspunt van het niet eenzijdig ongedaan maken van gewekte verwachtingen.

6. Daar waar veiligheid niet
-langer- in het geding is, wordt door de betrokken partners geïnvesteerd in een perspectief, in dialoog met bewoners.

Batches

Het advies refereert aan drie batches met aantallen 1467, 1588 en 1581. De betekenis van deze batches is:

Batch 1467 betreft het aantal adressen dat in 2016 is geïnspecteerd en waarvan is vastgesteld dat deze vrijwel allemaal versterkt dienen te worden. Deze versterkingen worden momenteel uitgevoerd.

Batch 1588 betreft de adressen die in 2017 zijn geïnspecteerd in het kader van de gebiedsgerichte aanpak, en waarvan is vastgesteld dat deze versterkt moeten worden. De versterking van deze groep is nog niet gestart.

Batch 1581; Dit is de derde groep adressen die zijn geïnspecteerd, en waarvan is vastgesteld dat deze versterkt moeten worden. Ook hier is de versterking nog niet gestart.


Door de Mijnraad wordt geconstateerd dat op basis van de nieuwste inzichten niet alle woningen in de gedefinieerde batches versterkt moeten worden. Daarnaast zijn er woningen die nu niet in de genoemde batches zitten die wel versterkt moeten worden.

De Mijnraad adviseert de versterking van woningen in de onderstaande prioriteitsvolgorde aan te pakken:

  1. Voor de gebouwen met een veiligheidsrisico > 10-5 moet het versterkingstraject zo snel mogelijk worden gestart. Dit geldt voor gebouwen binnen en buiten de batches 1467, 1588 en 1581.
    In totaal vallen ongeveer 1500 gebouwen (dit zijn ongeveer 1600 adressen) onder deze hoogste prioriteit. Hierbij  moet snel moet worden overgegaan tot versterking zonder tijd te verspillen. De gebouwen met het hoogste risico moeten als eerste op worden gepakt, er moet op volgorde van afstand tot de veiligheidsnorm worden gehandeld.
     
  2. Voor woningen zowel binnen de batches 1467, 1588 en 1581, die op basis van de verwachtingswaarde wel voldoen aan de veiligheidsnorm van 10-5, geldt dat overleg met de bewoners/eigenaren moet worden gevoerd.
    In deze categorie zijn twee groepen te onderscheiden:
    1. gebouwen die wél onderdeel zijn van de P90-groep. Voor deze groep wordt, op advies van SODM, een strengere eis gehanteerd dan de veiligheidsnorm van 10-5.
    2. gebouwen die géén onderdeel zijn van de P90-groep, ofwel deze gebouwen voldoen ook aan de strengere eis. 
    De bewoner van de gebouwen krijgt nadere toelichting op de betekenis van het wel of niet tot de P90 groep  behoren. De bewoner kan zelf kiezen of de versterking van de woning doorgezet wordt, dan wel achterwege blijft, ongeacht of de woning wel of niet voldoet aan de strengere eis.
    Deze aanpak wordt ook gevolgd voor woningen die niet in de genoemde batches vallen, die wel voldoen aan de eis van 10-5 maar onderdeel zijn van de P90 groep, ofwel niet voldoen aan de strengere eis. In totaal betreft dit ongeveer 5700 gebouwen (met ongeveer 7200 adressen).
     
  3. Overige gebouwen zijn geen doelgroep voor de versterkingen.

De Mijnraad adviseert de risicoberekeningen jaarlijks opnieuw uit te voeren. De dan actuele inzichten in kennis (over ondergrond en sterkte van gebouwen) en gasproductie worden daarin meegenomen. Tenslotte adviseert de Mijnraad om toekomstperspectief aan de regio te bieden. De Mijnraad geeft als overweging mee om middelen vanuit Rijk en corporaties te bundelen.

Lees het volledige advies Mijnraadadvies veiligheidsrisico's en versterkingsopgave Groningen.

Position Paper mei 2018: Beoordeling constructieve veiligheid NeHoBo vloeren in constructies onderworpen aan een aardbevingsbelasting

Auteur J.C. Walraven, J.G. Rots, S. Wijte
Opdrachtgever NCG
Datum Mei 2018

Samenvatting en resultaten

Bij de beoordeling van bestaande vloeren met NPR9998-2015 ontstonden vragen met betrekking tot de veiligheid van constructies die voorzien zijn van een zogenaamde NEHOBO vloer (afkorting van “Nederlandse Holle Bouwsteen”). Deze vloeren werden vooral in de periode 1970-1980 in nieuwe constructies opgenomen.

Net als elke andere vloer heeft deze vloer de functie om de verticaal op de vloer aangrijpende belasting af te dragen en tevens te fungeren als schijf. Door schijfwerking kan een horizontale belasting, bijvoorbeeld ten gevolge van wind of een aardbeving, via wanden en de fundering aan de ondergrond worden afgegeven. Vooral de beoogde schijfwerking staat ter discussie.

Naar aanleiding van deze problematiek heeft NCG de volgende vragen opgesteld. De onderbouwing van de beantwoording is terug te lezen in het rapport.

  1. Is het te verwachten dat de schijfwerking bij NEHOBO vloeren een zwakke schakel vormt?
    Antwoord: Verwacht wordt dat de NeHoBo vloeren niet de zwakste schakel in het draagsysteem zullen zijn, maar dit moet wel worden getoetst.
     
  2. Is het te verwachten dat deze vloeren voldoende weerstand bieden aan de verticale belasting?
    Antwoord: Mocht blijken dat de wapening in de voegen niet voldoende is dan kan deze via verticale zaagsneden in de voegen worden aangevuld. Als er geen sprake is van aantasting van de voegen, is er geen aanwijzing dat de vloeren onvoldoende capaciteit bezitten om de reguliere verticaal gerichte belastingen te kunnen weerstaan.
     
  3. Is het redelijk dat het CVW zich focust op de 1e verdiepingsvloer (en zoldervloer) of zouden alle vloeren (inclusief de begane grond) beschouwd moeten worden?
    Antwoord: In principe moeten vanaf de eerste verdiepingsvloer alle verdiepingsvloeren worden bekeken. De begane grondvloer hoeft hierbij niet te worden meegenomen, omdat de schijfwerkingsfunctie door de directe aansluiting met de fundering in het algemeen geen rol speelt.
     
  4. Hoe wordt aangekeken tegen de voorgestelde mogelijke versterkingsoplossingen?
    Antwoord: Verkennende berekeningen laten zien dat de NeHoBo vloeren in het algemeen niet de zwakste schakel in de constructieve weerstand zijn. De versterkingsoplossingen die eerder zijn voorgesteld zijn in het algemeen niet nodig en te zeer ingrijpend. Indien een versterking nodig is kan deze met eenvoudige middelen worden aangebracht (aanbrengen trekstaaf bij aansluiting wanden-vloer).
     
  5. Welke aannames en scope zijn redelijk om de huidige situatie en de beoogde maatregelen te kunnen doorrekenen tot het moment dat de testresultaten van TU Delft bekend zijn?
    Antwoord: De vloeren kunnen worden geanalyseerd met eenvoudige rekenmodellen (boog-trekband werking) voor buiging en afschuifmodellen voor de schuifweerstand van de voegen tussen de vloerelementen. Het schematiseren van de vloer en de inklemmende wanden tot een T-ligger is een redelijk eenvoudige en inzichtelijke benadering.

Lees het volledige rapport Position Paper Mei 2018 Beoordeling constructieve veiligheid NeHoBo vloeren.

Prioritering van inspecties, beoordeling en versterking gebouwen aardbevingsgebied Groningen

Auteur Deltares; F. Klijn, Ben van Kester, Dennis Wagenaar

Opdrachtgever NCG
Datum 16 augustus 2017

Samenvatting en resultaten

Dit rapport beschrijft de ontwikkeling van een methode voor het prioriteren van inspecties, beoordeling en versterking van gebouwen in Groningen. De methode is uitgewerkt op basis van de kennis van begin 2017. Deltares is gevraagd ‘een gedragen methode te ontwikkelen om de versterkingen te prioriteren op basis van de veiligheidsrisico’s, bij voorkeur op basis van al beschikbare kennis en gegevens en op voldoende detailniveau. Veilig betekent in het kader van de versterkingsoperatie het verkleinen van risico’s voor personen tot een acceptabel niveau.

Het risico wordt bepaald door:
- de kans dat als gevolg van een aardbeving een bepaalde piekgrondversnelling optreedt;
- de kans dat, gegeven een piekgrondversnelling, een gebouw (geheel of gedeeltelijk) kan instorten;
- de kans dat, gegeven een instorting, een persoon komt te overlijden.

De kansen per aardbeving worden gecombineerd tot één kans op overlijden per gebouw. Deze kans op overlijden wordt getoetst aan de eis voor het persoonlijk individueel risico van 10-5.

Er bestaat nog geen eenduidige, pand-specifieke en breed gedragen berekening voor de risico’s voor alle panden binnen het aardbevingsgebied. Er is een grote bandbreedte tussen verschillende berekeningen. In het rapport worden de verschillen en overeenkomsten tussen verschillende rekenmodellen die gebruikt worden om risico’s te berekenen besproken. Op basis van de resultaten wordt geconcludeerd dat in het algemeen het risico hoger is in het midden van het aardbevingsgebied, maar ook dat het type pand en de kwetsbaarheid ervan het risico sterk (mede) bepaalt. Er is een ordening van het pand-gebonden risico bepaald weergegeven in een kaart voor verschillende berekeningen. Het kaartbeeld geeft het duidelijke signaal af dat prioriteren op basis van het aardbevingsgevaar alleen niet doelmatig is.

Deltares stelt vast dat op basis van de eigen berekeningen een vergelijkbare volgorde wordt gevonden als op basis van de risicoschattingen van NAM. Voor de prioritering wordt geadviseerd beide resultaten te vergelijken. Als beide analyses op een groot risico wijzen, is dat reden voor spoedige inspectie en bouwtechnische beoordeling. Als beide op een verwaarloosbaar risico wijzen is dat ook eenduidig. Alleen volledige doorrekening van een pand(type) kan uiteindelijk voldoende uitsluitsel geven over de noodzaak voor versterking.

Lees het volledige rapport Prioritering van inspecties, beoordeling en versterking.

Risk Assessment of Falling Hazards in Earthquakes in the Groningen region

Auteur TTAC Limited; Tony Taig and Florence Pickup
In samenwerking met Arup
Opdrachtgever NAM
Datum 29 maart 2016

Samenvatting en resultaten van het onderzoek

Nederlandse vertaling: Risico's voor vallende objecten bij aardbevingen in Groningen

Het rapport beschrijft het resultaat van de risicoanalyse van vallende niet-constructieve objecten zoals schoorstenen, balustrades en topgevels in Groningen.
De analyse omvat alle gebouwen binnen de 0.1g-grens van de KNMI-kaart van piekgrondversnellingen met herhalingstijd van 475 jaar uit 2013. Dit omvat de gemeenten Appingedam, Bedum, Delfzijl, Eemsmond, Groningen, Haren, Hoogezand-Sappemeer, Loppersum, Menterwolde, Oldambt, Slochteren, Ten Boer, Veendam en Winsum. De methode die is gebruikt is in Nieuw Zeeland ontwikkeld naar aanleiding van de Christchurch-aardbevingen van 2010/2011.

Dit model berekent het groepsrisico (GR) voor mensen in en rondom gebouwen op basis van drie afzonderlijke blootstellingsmogelijkheden:

  • Voorbijgangers die buiten het gebouw worden blootgesteld aan vallende brokstukken
  • Bewoners die door vallende brokstukken worden getroffen terwijl zij naar buiten lopen of rennen
  • Puin dat door het dak heen stort op mensen die binnen aanwezig zijn

Het model levert ruwe inschattingen op en zeker geen definitieve beoordelingen van individuele gebouwen. Het doel van het onderzoek is vaststellen welke gebieden in het bijzonder aandacht verdienen voor plaatselijke inspectie en evaluatie. Een tweede doel is het ontwikkelen van algemene normen die kunnen worden toegepast.

De voornaamste aanbevelingen van het onderzoek zijn:

  • De resultaten van het onderzoek worden gebruikt; a) voor het helpen vaststellen welke gebieden nader dienen worden te onderzocht voorafgaand aan een besluit tot mogelijke versterking en; b) voor de ontwikkeling van eenvoudige regels voor de versterking.
  • Hulpmiddelen dienen te worden ontwikkeld voor het ondersteunen van individuele beslissingen over versterkingsmaatregelen.  Daarbij worden niet alleen de risico’s zoals die in dit onderzoek zijn gepresenteerd, beschouwd maar ook lokale factoren (met betrekking tot de gebouwen zelf, hun locatie en het gebruik van de openbare ruimte) die als risicofactoren kunnen worden aangemerkt.
  • Geadviseerd wordt om nader onderzoek te doen naar de onzekerheden in het model om ervoor te zorgen dat de resultaten van de risicoanalyse op dezelfde wijze zijn afgeleid als die van het risico op instorting.

Lees het volledige onderzoek Risk Assessment of Falling Hazards.

Meten en monitoring

Monitoring Network Building Vibrations - Analysis Earthquake 08-01-2018 (Zeerijp)

Auteur TNO; H. Borsje, J.P. Pruiksma, M. Vasic
Opdrachtgever NAM
Datum 14 augustus 2018

Samenvatting:

Om de effecten van geïnduceerde (door de mens veroorzaakte) aardbevingen op de woningen in het Groningen gasveld in kaart te brengen heeft TNO, in opdracht van NAM, vanaf 2014 een sensornetwerk geïnstalleerd. Nadat een aardbeving van magnitude 2,5 of meer is gemeten, en indien de gemeten trillingssnelheid in het gebouw groter is dan 1mm/s , wordt de schade aan de buitenzijde vastgelegd met een bouwkundige opname. Per gebouw is bij ingebruikname van het sensornetwerk een eerste bouwkundige opname gedaan en is de schadetoestand vastgesteld. Vervolgens kan de schadetoestand op verschillende momenten voor en na optredende bevingen worden vergeleken. Daarbij wordt vastgelegd wat is veranderd ten opzichte van de laatste bouwkundige opname. Ook wordt vastgelegd welke trillingsniveaus zijn waargenomen in de periode tussen de vastgelegde schadetoestanden.

Dit rapport is het samenvattende rapport van de analyses na de aardbeving te Zeerijp op 8 januari 2018. Deze aardbeving had een magnitude van 3,4 op de schaal van Richter. Het rapport bevat een feitelijk overzicht van de waarnemingen uit het sensornetwerk en van de uitgevoerde bouwkundige opnames.

Na de aardbeving in Zeerijp zijn in totaal 197 bouwkundige opnames gedaan. In de rapportage worden de waarnemingen per pand vergeleken met de laatst uitgevoerde bouwkundige opname en worden de verschillen in kaart gebracht.

Bij in totaal 209 gebouwen uit het netwerk is een trillingssnelheid van meer dan 1 mm/s waargenomen. Hiertoe behoren 197 woningen. De overige gebouwen worden wel gebruikt voor analyse van de trillingen, maar daarvan worden geen bouwkundige opnames gemaakt. Bij analyse bleek dat bij vier woningen dicht bij het epicentrum de sensoren tijdelijk niet functioneerden. Deze woningen zijn niet betrokken in de analyse van trillingen, maar wel in de schade opnames.

Van de trillingen zijn zowel de versnellingen als de snelheden onderzocht. De piekwaarden zijn vastgelegd en de optredende trillingsfrequenties zijn bepaald. Voor de horizontale trillingssnelheid ligt de dominante frequentie (de frequentie waarbij de meeste trillingsenergie wordt gemeten) beneden 10Hz (gemiddeld lager dan 5Hz). Voor de verticale trillingssnelheid liggen deze waarden iets hoger.

De maximale versnelling van de gemeten funderingstrilling (amax) is 1,05 m/s2 in de verticale richting en 1,52 m/s2 in de horizontale richting. De maximaal gemeten trillingssnelheid (vmax) van de fundering is 7,0 mm/s in de verticale richting en 27,6 mm/s in de horizontale richting.

De panden waar bouwkundige opnames zijn uitgevoerd zijn in een schadeklasse ingedeeld. Van vrijwel alle woningen is de schadeklasse bekend voorafgaand aan de Zeerijp beving. De rapportage geeft per woning de klasse voor en na de beving.

Ook is nagegaan of een trillingssnelheid hoger dan 1 mm/s is waargenomen die niet kwam door een aardbeving maar een andere oorzaken had. Dit was bij een beperkt aantal gebouwen het geval. Voor die gebouwen is de waargenomen trillingssnelheid gebruikt in de analyses.

  • Voor de 197 woningen waren bij de vorige bouwkundige opname in totaal 2.130 scheuren gerapporteerd. Het grootste deel van deze scheuren (77%) had een maximale wijdte van 1 mm.
  • Bij de herhalingsopname werd bij 2% van deze scheuren een toename in de lengte of breedte gerapporteerd.
  • Bij de herhalingsopname werden in totaal 785 nieuwe scheuren gerapporteerd. De meerderheid van deze nieuw gerapporteerde scheuren (95%) was relatief smal en kort.
  • In de periode tussen de vorige bouwkundige opname en de herhalingsopname waren in 78 huizen scheuren hersteld, in totaal 476 scheuren. In 22 van deze huizen (28%) vertoonden gerepareerde scheuren een nieuwe scheur. Het totale aantal nieuwe scheuren in eerder gerepareerde scheuren is 39 (8%).
  • Voor een deel van de huizen is de hoeveelheid gerapporteerde scheuren bij de herhalingsopname toegenomen ten opzichte van de vorige bouwkundige opname. Echter, voor geen van de huizen die aanvankelijk (of bij een eerdere opname) waren ingedeeld in schadeklasse DS 1, 2 of 3, heeft de aardbeving geleid tot een toename van de schadeklasse.
  • Er is geen duidelijke relatie gevonden tussen de maximale trillingssnelheid en een eventuele toename van het aantal waargenomen scheuren in de huizen.

Lees het volledige rapport Monitoring Network Building Vibrations.

Gerelateerd rapport:

Onderzoek meetinstrumenten stap 3

Auteur Antea Group; E. Drenth, A. Kant, A.J. Speelman, R. Fritschen
Opdrachtgever Nationaal Coördinator Groningen
Datum 10 juli 2017

Samenvatting en resultaten van het onderzoek

Diverse partijen hebben bij de NCG aandacht gevraagd voor de meetinstrumenten die worden gebruikt in relatie tot de gaswinning in Groningen. Hierbij worden naast de grondversnelling ook andere zaken gemeten, bijvoorbeeld met tiltsensoren of andere typen bodem- en gebouwsensoren of -netwerken. NCG heeft Antea Group daarop gevraagd de bestaande meetnetwerken in kaart te brengen en aanbevelingen te doen voor toekomstige aanpassingen of uitbreidingen.
Het doel van dit onderzoek is om de verschillen tussen de huidige (2017) meetnetwerken in en boven het Groninger Gasveld te analyseren. Daarnaast is het doel een aanbeveling te formuleren of er een aanpassing of aanvulling van deze bestaande meetnetwerken wenselijk is.
In het gebied zijn meetnetwerken geplaatst die hoofdzakelijk bestaan uit versnellingssensoren en geofoons. Deze instrumenten registreren de trillingen in alle richtingen. De sensoren zijn verdeeld over twee vlakdekkende meetnetwerken van TNO en KNMI. Daarnaast zijn er nog aanbieders die lokaal één of meerdere versnellingssensoren of geofoons geïnstalleerd hebben. Ook worden waterspanningsmeters en tiltsensoren in het projectgebied ingezet op een gering aantal locaties.
Het rapport stelt dat de huidige meetnetwerken voldoende informatie genereren over de optredende bodembewegingen buiten gebouwen en de trillingen in gebouwen voor wetenschap, overheid, burgers en bedrijven.  Het rapport stelt dat over de behoefte naar tiltsensoren waarmee aanvullend onderzoek naar scheefstand en/of ongelijkmatige bodemdaling als gevolg van een aardbeving kan worden verricht, geen bindende uitspraak kan worden gedaan.

Het rapport doet aanbevelingen voor het inrichten van een beoogd meetnet. Het beoogde meetnet verzamelt alle gegevens op één centrale plaats en maakt deze op een objectieve manier beschikbaar aan de belanghebbenden van het projectgebied. Meetgegevens zijn openbaar, toegankelijk, leesbaar en te interpreteren. Het beoogde meetnet draagt daarnaast bij aan de kennisopbouw voor de vaststelling van schade aan en risico’s voor een object, veroorzaakt door geïnduceerde aardbevingen Geadviseerd wordt de PGV (Peak Ground Velocity) in de basis als monitoringparameter voor het beoogde meetnet te gebruiken. Meetnetbeheerders/-eigenaren kunnen het beoogde meetnet met hun meetgegevens verrijken. Randvoorwaarde is wel dat de sensoren aan kwaliteitsrichtlijnen (zoals SBR trillingsrichtlijn A of BRL5023) voldoen.

Lees het volledige onderzoek Onderzoek meetinstrumenten.

Bekijk het gerelateerde rapport SBR Trillingsrichtlijn A.

Vibration levels at foundations of houses in Groningen due to induced earthquakes

Auteur ir. J.P. Pruiksma, Á. Rózsás PhD
Opdrachtgever NCG
Datum 30 juni 2017

Samenvatting en resultaten

In dit rapport zijn de maximaal gemeten trillingsniveaus tijdens 5 aardbevingen uit het TNO sensornetwerk in Groningen geanalyseerd. Dit is gedaan voor de volgende bevingen:

Datum

Plaats

Magnitude

30 september 2014

Garmerwolde

2,8

5 november 2014

Zandeweer

2,9

30 december 2014

Scharmer

2,8

6 januari 2016

Wirdum

2,7

30 september 2015

Hellum

3,1

 

 

 

 

 

In het kader van deze studie is de topwaarde van de trillingssnelheid (vtop) gebruikt. Zowel de topwaarde in horizontale als in verticale richting is uitgewerkt. De waarden voor vtop zijn als functie van de afstand tot het epicentrum uitgezet. Een vergelijking is gemaakt met beschikbare modellen (GMPE’s), en met de door het KNMI gemeten trillingen. De door TNO gemeten trillingen zijn per beving door een statistisch model beschreven. In dit model is rekening gehouden met de spreiding in de metingen in de vorm van een onzekerheidsmarge. Met dit model kan ook voor locaties waar geen meetpunten aanwezig zijn een schatting van het opgetreden trillingsniveau worden gemaakt. De resultaten worden door de TU Delft gebruikt in het onderzoek naar schadeoorzaken.

Uit de analyse blijkt dat de metingen van TNO en van KNMI goed met elkaar overeenkomen. De door het KNMI gemeten waarden vallen binnen de bandbreedte van de waarnemingen door TNO.

Lees het volledige rapport Vibration levels at foundations of houses in Groningen.

Monitoring Network Building Vibrations - Analysis Earthquakes in 2014 and 2015

Auteur TNO; H. Borsje, J.P. Pruiksma, S.A.J. de Richemont
Opdrachtgever NAM
Datum 12 december 2016

Samenvatting en resultaten

Nederlandse vertaling: Monitoringsnetwerk gebouwtrillingen - Analyse aardbevingen in 2014 en 2015

Om de effecten van geïnduceerde (door de mens veroorzaakte) aardbevingen op de woningen in het Groningen gasveld in kaart te brengen heeft TNO, in opdracht van NAM, vanaf 2014 een sensornetwerk geïnstalleerd. Nadat een aardbeving van Magnitude 2,5 of meer is gemeten, en indien de gemeten trillingssnelheid in het gebouw groter is dan 1 mm/s , wordt de schade aan de buitenzijde vastgelegd met een bouwkundige opname. Per gebouw is bij ingebruikname van het sensornetwerk een eerste bouwkundige opname gedaan, en is de schadetoestand vastgesteld. Vervolgens kan de schadetoestand op verschillende momenten voor en na optredende bevingen worden vergeleken. Daarbij wordt vastgelegd wat is veranderd ten opzichte van de laatste bouwkundige opname. Ook wordt vastgelegd welke trillingsniveaus zijn waargenomen in de periode tussen de vastgelegde schadetoestanden.

Dit rapport is het samenvattende rapport van de analyses van de 5 aardbevingen in de periode september 2014 tot december 2015 met Magnitude > 2,5. Het rapport bevat een feitelijk overzicht van de waarnemingen uit het sensornetwerk en de uitgevoerde bouwkundige opnames.

Per beving is een overzicht gegeven van het aantal gebouwen waarvoor de maximaal opgetreden trillingssnelheid ten tijde van de beving hoger was dan 1 mm/s. Deze aantallen waren als volgt:

  • Garmerwolde (30 september 2014): 45 gebouwen
  • Zandeweer ( 5 november 2014): 91 gebouwen
  • Woudbloem (30 december 2014): 23 gebouwen
  • Wirdum (6 januari 2015): 38 gebouwen
  • Hellum (30 september 2015): 40 gebouwen

In totaal zijn er 167 bouwkundige opnames gedaan. Dit is lager dan het aantal malen dat de waargenomen trillingssnelheid hoger was dan 1 mm/s, om een aantal redenen:

  • Alleen van woningen zijn bouwkundige opnames gedaan. Bij andere gebouwen is dit niet gedaan.
  • Enkele woningen zijn getroffen door meerdere bevingen. Vanwege de korte tijd tussen de bevingen was er niet in alle gevallen al een bouwkundige opname gedaan toen de volgende beving gebeurde
  • Bij een aantal huizen werden bouwactiviteiten uitgevoerd waardoor er geen bouwkundige opname gedaan kon worden.

In het rapport zijn de bouwkundige opnames van 145 huizen opgenomen. Van 21 huizen is twee maal, en van 1 huis is drie maal een bouwkundige opname gedaan, omdat in die huizen 2 dan wel 3 keer de trillingssnelheid door een beving groter was dan 1 mm/s. Dit brengt het  totaal aantal bouwkundige opnames op de eerder genoemde 167.

Van de trillingen zijn zowel de versnellingen als de snelheden onderzocht. De piekwaarden zijn vastgelegd en de optredende trillingsfrequenties zijn bepaald. Voor de horizontale trillingssnelheid ligt de dominante frequentie (de frequentie waarbij de meeste trillingsenergie wordt gemeten) beneden 10Hz (gemiddeld lager dan 5Hz). Voor de verticale trillingssnelheid liggen deze waarden iets hoger. Ook is nagegaan of een trillingssnelheid hoger dan 1 mm/s is waargenomen die niet gerelateerd was aan aardbevingen maar aan andere oorzaken. Dit was bij een beperkt aantal gebouwen het geval. In die gevallen is de waargenomen trillingssnelheid gebruikt in de analyses.
Op basis van deze vijf bevingen is geen relatie vast te stellen tussen opgetreden trillingsniveaus en een toename van schade. De waargenomen schades leidden niet tot het indelen van het gebouw in een hogere schadetoestand dan op basis van de voorgaande schadeopname.

Lees het volledige rapport Monitoring Network Building Vibrations - Analysis Earthquakes in 2014 and 2015.

Gerelateerd rapport:

Onderzoek Meetinstrumentaria

Auteur Sweco; ir. H.P.W. Winde, ing. P. van de Waal, Ing. J. Hopman

Opdrachtgever NCG
Datum 5 oktober 2016

Samenvatting en resultaten

Dit rapport geeft een inventarisatie van meetnetten voor het registreren van aardbevingen en effecten van aardbevingen in Groningen. Dit betreft meetnetten van KNMI (bodemtrillingen), TNO (gebouwsensoren), Omnidots (gebouwsensoren) en StabiAlert.

Per meetnet is op basis van interviews vastgesteld wat er gemeten wordt, met welk doel, welke instrumenten worden gebruikt en welke plannen er zijn met het betreffende meetnet in de nabije toekomst.

In een bijlage is informatie verzameld over een aantal meetnetten elders in de wereld met soortgelijke doelen. Het rapport is uitsluitend inventariserend en geeft de stand van zaken van het najaar van 2016. Er zijn geen conclusies getrokken of resultaten van meetnetten gepresenteerd.

Bekijk het Onderzoek Meetinstrumentaria.

Industrie en infrastructuur

Handreiking Fase 2 voor het uitvoeren van studies naar het effect van aardbevingen voor bedrijven in de industriegebieden in Groningen

Auteur Deltares en TNO; P. Meijers en R.D.J.M. Steenbergen
Opdrachtgever Ministerie van Economische Zaken en Klimaat / NCG
Datum Juni 2018

Samenvatting en resultaten

De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) heeft aan Deltares en TNO gevraagd de uit te voeren onderzoeken c.q. studies naar het effect van aardbevingen op de constructies (gebouwen, systemen en installaties) van de (veelal chemische) bedrijven in industriegebieden in het Groningse aardbevingsgebied te begeleiden en te beoordelen. Deze Handreiking geeft aanwijzingen waarop deze studies moeten worden uitgevoerd.

Dit gebeurt in fasen. Fase 1 omvat een kwalitatieve risicoanalyse die in de Handreiking Fase 1 is omschreven. Deze Handreiking Fase 2 beschrijft hoe de meest kritische constructies en installaties worden getoetst of ze voldoen aan de eisen met betrekking tot aardbevingsbestendigheid.

Deze Handreiking voorziet in een bepalingsmethode voor de sterkte van constructies en installaties onder aardbevingsbelasting die aansluit bij de uitgangspunten van de Eurocodes. Deze methode kenmerkt zich door de definitie van gevolgklassen voor de constructies en installaties.

De indeling in gevolgklassen leidt ertoe dat:

  • Constructies met potentieel kleine gevolgen minder streng worden getoetst dan constructies met potentieel grote gevolgen;
  • Geen onnodige versterkingsmaatregelen nodig zijn voor constructies met potentieel kleine gevolgen;
  • Uitsluitend die constructies versterkt moeten worden die significant bijdragen aan de vergroting van het veiligheidsrisico;
  • Expliciet gemaakt is wat de mogelijke bijdrage is van een constructie of installatie aan het risico als gevolg van aardbevingen in Groningen;
  • Het toets-niveau afhangt van het maatgevende risico (externe veiligheid, interne veiligheid of milieu). 

Voor de berekening van de sterkte van de constructies en installaties wordt gebruik gemaakt van de internationaal gangbare methodes, in het bijzonder Eurocode 8.

In bijlagen bij de Handreiking zijn de achtergronden bij de gemaakte keuzes onderbouwd.

Bekijk het volledige rapport Handreiking Fase 2.

Gerelateerd rapport: Handreiking Fase 1.

Handreiking Fase 1 voor het uitvoeren van studies naar het effect van aardbevingen voor bedrijven in de industriegebieden in Groningen

Auteur Deltares en TNO; P.Meijers en R.D.J.M. Steenbergen
Opdrachtgever Ministerie van Economische Zaken en Klimaat
Datum Juni 2018

Samenvatting en resultaten

De Nationaal Coördinator Groningen (NCG) heeft aan Deltares en TNO gevraagd de uit te voeren onderzoeken c.q. studies naar het effect van aardbevingen op de constructies (gebouwen, systemen en installaties) van de (veelal chemische) bedrijven in industriegebieden in het Groningse aardbevingsgebied te begeleiden en te beoordelen. Deze Handreiking geeft aanwijzingen waarop deze studies moeten worden uitgevoerd.

Fase 1 omvat een kwalitatieve risicoanalyse. In deze fase worden de volgende activiteiten uitgevoerd:

1. Doorlopen van de constructies met betrekking tot risico’s.
2. Vaststellen van de huidige staat van de constructies.
3. Prioritering van de constructies met de grootste gevolgen van falen.
4. Een kwalitatieve beoordeling van de risico’s door middel van een risicoanalyse met mogelijke maatregelen om het risico te reduceren tot een aanvaardbaar niveau.

Resultaat van deze activiteiten is een prioritering van de constructies en installaties met de grootste risico’s van falen. Dit vormt de basis voor een selectie van constructies en installaties, die in fase 2 nader worden onderworpen aan een kwantitatieve beoordeling.

Bekijk de volledige Handreiking Fase 1.

Gerelateerd rapport:Handreiking Fase 2

Kwalitatieve risicoanalyse infrastructuur Groningen

Auteur Antea; J. Koot, T. van den Broek, B. van Meekeren en E. Waltje
Opdrachtgever Nationaal Coördinator Groningen (NCG)
Datum 31 juli 2017

Samenvatting en resultaten

Antea heeft een inventarisatie uitgevoerd naar de risico’s voor de bestaande infrastructuur als gevolg van aardbevingen. Dit leidt tot een rangschikking van infrastructuur op basis van deze risico’s. De rangschikking kan worden gebruikt bij het prioriteren van vervolgstappen voor de beoordeling op aardbevingsbestendigheid.

Het onderzoek is in samenwerking met de belangrijkste infrabeheerders in de regio uitgevoerd. De focus in dit onderzoek ligt op het thema ‘veiligheid’. Daarnaast worden de thema’s ‘cascade effecten’ (dit zijn gevolgeffecten die optreden aan een object als een ander object faalt) en ‘maatschappelijke ontwrichting’ behandeld.

Het rapport beschrijft de methode die is gebruikt om tot de prioritering te komen. De risico’s worden bepaald door de seismiciteit (trillingsniveaus aan het oppervlak), de kwetsbaarheid van de objecten en de mogelijke effecten die optreden als het object faalt.
De studie is kwalitatief: Er wordt gebruik gemaakt van indelingen in klassen om de invloed van aardbevingen en de effecten te beschrijven. Op basis van interviews met de beheerders en literatuuronderzoek is tot indelingen van de objecten in een risicoklasse gekomen.
Het resultaat is een geprioriteerd overzicht van objecten, los van locatie, met daarbij een aanbeveling voor de beheerder van de objecten, hoe voor een specifiek object op locatie hiermee om te gaan. Er is een stappenplan gepresenteerd voor de beheerder van infrastructuur op basis waarvan deze kan besluiten hoe om te gaan met mogelijke risico’s. Tenslotte presenteert het rapport een overzicht van kennishiaten en doet aanbevelingen hoe daarmee om te gaan.

Lees de volledige rapportage Kwalitatieve risicolanalyse.

Aanvullende rapportage werkgroep Maatgevende aardbevingsbelasting voor de industrie

Auteur Werkgroep maatgevende aardbevingsbelasting; I. Helsloot, L. Evers, P. van Geel, K. Theune, A. Tsouvalas, J. Rots en W. Zwaard
Secretaris: J. van Tol en J. Westinga
Opdrachtgever Ministerie van E.Z.K. / NCG
Datum Juni 2017

Samenvatting en resultaten

Dit rapport geeft aanvullende inzichten op de LOC toets op de aardbevingsbestendigheid van de chemische industrie in Groningen. Dit rapport is een aanvulling op een eerder rapport (zie gerelateerde rapport onderaan) en gaat in op vier verzoeken die zijn gedaan na het uitkomen van het eerdere rapport.

1: De werkgroep schetst de redenering die in het eerste rapport is gevolgd om tot een toetskader te komen. Op basis daarvan concludeert de werkgroep dat naar hun mening de door hen ontwikkelde methode een te verantwoorden minimumniveau van veiligheid biedt. Wel adviseert de werkgroep om een geschikt traject van kennisontwikkeling en risicomonitoring te starten om de methode compleet te maken.

2: De werkgroep geeft in haar advies aan dat haar methode eveneens geschikt is voor de toetsing van niet-chemische industrie, en tevens voor beoordeling van milieurisico’s en de arbeidsveiligheid.

3: De werkgroep meldt dat de methode is voorgelegd aan een door NCG ingestelde groep van deskundigen.

4: Door de werkgroep wordt antwoord gegeven op vragen naar aanleiding van het eerste rapport. Dit betreft zowel verduidelijkingsvragen over de inhoud als vragen over het toepassingsgebied.

In het rapport wordt geschreven dat de werkgroep geen kansberekening hanteert voor de seismische invoer maar toetst aan de verwachte waarde van het zwaarste scenario van geïnduceerde aardbeving. De verwachte waarde is de waarde die 50% kans heeft om of hoger of lager te zijn in het gegeven scenario. In de beantwoording van de vragen (in de bijlage) is daar nadere toelichting op gegeven. Toegelicht wordt dat de aardbevingsbelasting die wordt aangehouden voor deze verwachte waarde een herhalingstijd heeft van ongeveer 100 a 200 jaar.

De werkgroep laat in het midden of de LOC toets geschikt is voor nieuwbouw.

Bekijk de volledige Aanvullende rapportage werkgroep Maatgevende aardbevingsbelasting voor de industrie.

Bekijk het gerelateerde rapport Rapportage werkgroep Maatgevende aardbevingsbelasting voor de industrie.

 Prioritering onderzoek aardbevingsbestendigheid: voor bedrijven die werken met gevaarlijke stoffen

Auteur Deltares; H.T. Sman
Opdrachtgever Nationaal Coordinator Groningen
Datum 1 maart 2017

Samenvatting en resultaten van het onderzoek

Voor de beoordeling van de aardbevingsbestendigheid van industriële installaties en constructies, is door NCG aan Deltares de vraag gesteld om de installaties te prioriteren, op basis van de potentiele risico’s voor externe veiligheid.

In dit rapport worden de bedrijven in Groningen die werken met grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen benoemd. Deze bedrijven zijn gerangschikt op volgorde van het potentiële risico als gevolg van een zware geïnduceerde aardbeving. De lijst zal worden gebruikt bij prioritering van het onderzoek naar aardbevingsbestendigheid van industriële installaties en constructies, dat gecoördineerd wordt door de Nationaal Coördinator Groningen (NCG).
Deze versie van het rapport is een update ten opzichte van voorgaande versies. In dit rapport zijn de laatste inzichten (begin 2017) m.b.t. de ontwikkeling van de aardbevingsdreiging (PGA kaarten) en aanvullende informatie over de beschouwde bedrijven meegenomen in de prioritering.

 De bedrijven zijn gerangschikt in tabelvorm, en ingedeeld volgens de volgende categorieën:
1: Industriële bedrijven met gevaarlijke stoffen met een hoog tot gemiddeld risico
2: Industriële bedrijven gevaarlijke stoffen met een onder gemiddeld tot laag risico
3: Industriële bedrijven die in eerdere versie van de studie nog waren geprioriteerd, maar nu buiten de contour vallen die is gesteld t.b.v. de check op aardbevingsbestendigheid.

De bedrijven van categorie 1 hebben de hoogste prioriteit. In totaal vallen 13 bedrijven in categorie 1 en 32 bedrijven in categorie 2. In totaal zijn 4 bedrijven in categorie 3 opgenomen.

Lees het volledige rapport Prioritering onderzoek aardbevingsbestendigheid.

Explanatory notes for the “LoC Toets” in application

Auteur TU Delft; A. Tsouvalas, A. Metrikine en J. Rots

Opdrachtgever Ministerie van E.Z.K. / NCG
Datum 1 februari 2017

Samenvatting en resultaten

De TU Delft geeft in dit rapport de achtergronden bij de keuzes die zijn gemaakt in de zogenoemde ‘LOC toets’ voor bepaling van de seismische weerstand van industriële installaties. Dit rapport is met name bedoeld voor de ingenieursbureaus die de installaties toetsen op aardbevingsbestendigheid.

Voor de aardbevingsbelasting wordt gebruik gemaakt van responsspectra gebaseerd op een maximaal te verwachten aardbeving met een Magnitude van 5 op de schaal van Richter. Een horizontaal en verticaal respons spectrum is vastgesteld. Deze belasting wordt van toepassing verklaard op alle industriële installaties in Groningen. Er wordt geen onderscheid gemaakt in typen installaties.

In het rapport worden aanwijzingen gegeven voor een methode om de seismische weerstand van de constructies van industriële installaties te berekenen. Deze methode is gebaseerd op Eurocode 8. De TU Delft geeft specifieke aanwijzingen welke keuzes er in de berekening gemaakt dienen te worden en hoe de toetsing moet worden uitgevoerd.

Bekijk het volledige rapport Explanatory notes for the “LoC Toets” in application.

Rapportage werkgroep Maatgevende aardbevingsbelasting voor de industrie

Auteur Werkgroep maatgevende aardbevingsbelasting; I. Helsloot, L. Evers, P. van Geel, K. Theune, A. Tsouvalas, E. Mobach, J. van Tol
Opdrachtgever Ministerie van E.Z.K. / NCG
Datum 4 november 2016

Samenvatting en resultaten

Dit rapport beschrijft de achtergronden van de toetswaarde voor de aardbevingsbelasting in de methode voor de toetsing van industriële installaties. Uitgangspunt is een door het KNMI bepaalde ‘maximale aardbeving’ met Magnitude M = 5 op de schaal van Richter. De aardbevingsbelasting is vervolgens bepaald uit de verwachte waarde voor het versnellingsspectrum. De verwachte waarde is de waarde die 50% kans heeft om hoger dan wel lager te zijn. Daarnaast wordt een waarde gegeven aan de hand van de spreiding die in de modellen voor het spectrum zit. Deze is niet als toetswaarde gedefinieerd.

De werkgroep kiest ervoor om af te wijken van de gangbare wijze waarop aardbevingsbelastingen worden bepaald (met een probabilistische hazard analyse). De overwegingen daarvoor zijn in het rapport benoemd. De werkgroep beargumenteert dat vanwege de grote onzekerheid in de parameters in de gangbare probabilistische hazard analyse deze onzekerheden niet worden meegenomen. Er wordt met een verwachte waarde gewerkt. Dit levert een deterministische belasting, dus zonder spreiding, die voor alle te toetsen constructies dezelfde is.

De methode is aan de hand van vier pilots getest. Op basis van de pilots concludeert de werkgroep dat de methode geschikt is voor de toetsing van de industriële installaties in Groningen op aardbevingsbelasting. De pilotresultaten zijn niet in het rapport opgenomen.

Als bijlagen zijn rapporten van KNMI en TU Delft toegevoegd waarin nadere inhoudelijke toelichting is gegeven op de wijze waarop de methode tot stand is gekomen.

Bekijk het volledige rapport Rapportage werkgroep Maatgevende aardbevingsbelasting voor de industrie. 

Gerelateerd rapport Aanvullende rapportage werkgroep Maatgevende aardbevingsbelasting voor de industrie.

Overige aspecten

Hieronder vind je de duiding en link naar het volgende rapport binnen de categorie 'Overige aspecten':

Eindadvies Handelingsperspectief voor Groningen. Adviescommissie ‘Omgaan met risico’s van geïnduceerde aardbevingen’ (Commissie-Meijdam)

Auteur Henry Meijdam (voorzitter), Michel van Eeten, Pieter van Geel, Läslo Evers, Ira Helsloot: Adviescommissie Omgaan met risico’s van geïnduceerde aardbevingen (Commissie-Meijdam)
Opdrachtgever Ministerie van Economische Zaken
Datum 14 december 2015

Samenvatting:

De commissie ‘Omgaan met risico’s van geïnduceerde aardbevingen’ (ofwel de Commissie Meijdam) had als taak de minister van Economische zaken te adviseren over de normering voor aardbevingen als gevolg van de gaswinning in Groningen. Dit betreft keuzes voor te hanteren overschrijdingskansen, over risicobeleid, over alternatieve benaderingen van preventieve versterking en alternatieve veiligheidsconcepten, alsmede over het omgaan met veiligheidsrisico’s van door menselijk handelen veroorzaakte aardbevingen.

De commissie is van mening dat inwoners van Groningen recht hebben op meer dan alleen basisveiligheid en volledige vergoeding van schade. De commissie benadrukt dat er geen discussie bestaat over herstel van schade. Alle schade die is of wordt aangericht als gevolg van geïnduceerde aardbevingen moet adequaat en zo snel als mogelijk worden hersteld en vergoed. Daarnaast is het de verantwoordelijkheid van de overheid om voor alle inwoners van Groningen het niveau van basisveiligheid te waarborgen door uit te gaan van de overal in Nederland geldende veiligheidsnormen, deze vast te stellen en toe te zien op handhaving.
Dat betekent versterking van woningen en andere bouwwerken zodanig dat het individueel risico kleiner is dan 10-5, wat de veiligheidsnorm is die ook elders in Nederland geldt. Daarmee moet het basisveiligheidsniveau gegarandeerd worden. Bouwwerken met een risico groter dan 10-4 dienen met voorrang te worden aangepakt, of inwoners moeten de gelegenheid krijgen – als zij dat zelf willen – hun woning te verlaten, op basis van een opkoop- en vertrekregeling.

De commissie adviseert voor de analyse van seismische dreiging (ook wel hazardanalyse genoemd) de internationaal gebruikelijke methoden te volgen. De commissie adviseert de PGA-kaart van het KNMI vast te stellen als een beschrijving van het risiconiveau dat niet mag worden overschreden. De commissie adviseert om te komen tot een nationale systematiek voor de ontwikkeling van die berekeningen. Het is wenselijk dat het beheer van deze systematiek wordt belegd bij een onafhankelijk kenniscentrum.

De commissie is van mening dat chemische bedrijven en primaire zeeweringen in het aardbevingsgebied voldoende bestand moeten zijn tegen een ergst denkbare aardbeving op die locatie. De commissie vertaalt dit als het rekening houden met een aardbeving in het kerngebied met een maximale magnitude van 5 op de Schaal van Richter en de bijbehorende PGA-verdeling.

De commissie Meijdam geeft de minister van Economische Zaken in overweging om een specifiek fonds op te richten van waaruit, in samenspraak met de Nationaal Coördinator Groningen, compensatiemiddelen worden ingezet die meer structureel van aard zijn en die beter aansluiten bij wat burgers belangrijk en waardevol vinden voor hun directe leefomgeving.

Bekijk het volledige advies Eindadvies Handelingsperspectief voor Groningen (Commissie-Meijdam).